In een verrassende vondst — waar onderzoekers even van moesten slikken — bleek een fossiel dat lang voor een wollige mammoet doorging, eigenlijk van een walvis te zijn. De ontdekkingen werpen meer vragen op dan ze beantwoorden, en laten zien hoe belangrijk zorgvuldige identificatie en datering zijn in de paleontologie. Ze geven ook een interessant beeld van hoe ingewikkeld de geschiedenis van de aarde kan zijn.
Vondst en eerste inschatting
De botten werden in 1951 gevonden door archeoloog Otto Geist in het binnenland van Alaska, net ten noorden van Fairbanks. Die regio, bekend als Beringië, huisvestte veel laat-Pleistoceen megafauna. Het ging om wervelbotten — specifiek twee epifysaire platen (botplaten aan de uiteinden van wervels) — die qua uiterlijk en vindplaats sterk leken op die van de wollige mammoet. Omdat die diersoort destijds veel voorkwam, schatte Geist ze in als mammoetmateriaal op basis van formaat en olifantachtige kenmerken. De specimens werden daarna naar het Museum of the North van de University of Alaska gebracht, waar ze meer dan 70 jaar bewaard werden.
Datering en isotopenonderzoek
Dankzij het ‘Adopt-a-Mammoth’-programma van het museum kon er radiokoolstofdatering plaatsvinden. Die test wees uit dat de botten slechts 2.000 tot 3.000 jaar oud zijn. Dat viel helemaal buiten de verwachte ouderdom van wollige mammoeten: die stierven naar schatting ongeveer 13.000 jaar geleden uit, met enkele geïsoleerde populaties tot ongeveer 4.000 jaar geleden. Vanwege die relatief jonge datering ging onderzoeker Matthew Wooller met zijn team dieper graven naar waar de botten precies vandaan konden komen.
Het isotopenonderzoek (analyse van stikstof-15 (N-15) en koolstof-13 (C-13)) liet onverwacht hoge waarden zien die eerder voorkomen bij mariene organismen dan bij landdieren zoals mammoeten. Dat wees in de richting van een mariene oorsprong van de monsters en veranderde de onderzoeksrichting flink.
DNA-analyse en herclassificatie
mitochondriaal DNA. Dat werd vergeleken met het DNA van de Noordelijke Pacifische rightwalvis (Eubalaena japonica) en de gewone minke-walvis (Balaenoptera acutorostrata). Die tests bevestigden dat de oorspronkelijke ‘mammoet’botten in werkelijkheid walvisbotten waren.
Het raadsel van de vindplek
De walvisresten — meer dan 1.000 jaar oud volgens de analyses — werden gevonden op een opvallende afstand van 402 km van de dichtstbijzijnde kustlijn. Hoe ze daar terechtkwamen is onduidelijk. Er zijn drie hoofdtheorieën:
Een onwaarschijnlijke walvisincursie via oude inhammen.
Transport door oude menselijke groepen.
Een fout of verwisseling in het museum (Otto Geist verzamelde immers specimens uit heel Alaska).
Terugkijken en verdere stappen
Hoewel het misschien nooit helemaal duidelijk wordt hoe walvisbotten zo ver landinwaarts terechtkwamen, sluit dit onderzoek deze specimens uit als kandidaten voor de laatste mammoeten. Het laat ook zien waarom een multi-proxy aanpak bij fossiele identificatie nodig is, waarbij zowel isotopengegevens als oud DNA een belangrijke rol spelen.
De vondst zet aan tot meer onderzoek naar de historische wisselwerking tussen land en zee en toont hoe nieuwe analyses ons beeld van het verleden kunnen veranderen. Het spoort onderzoekers aan hun methoden te blijven vernieuwen en na te gaan welke antwoorden zulke mysteries kunnen opleveren.