De Chernobyl-schimmel lijkt iets bijzonders ontwikkeld te hebben
De vondst van een aparte schimmel die het goed lijkt te doen onder extreem slechte omstandigheden houdt de wetenschappelijke wereld in z’n greep. Bijna 40 jaar na de explosie van reactor eenheid vier in de Chernobyl-uitsluitingszone, blijven onderzoekers gefascineerd door hoe leven zich aanpast en overleeft. Die schimmel, die al sinds de jaren 1990 aandacht trekt, geeft inzicht in aanpassingsmechanismen die mogelijk zelfs relevant zijn voor de ruimtevaart.
Wat maakt die Chernobyl-schimmel zo bijzonder?
In de late jaren 1990 leidde Nelli Zhdanova, microbiologe van de Ukrainian National Academy of Sciences, een veldonderzoek binnen de shelter rond de verwoeste reactor in Chernobyl. Ze documenteerde 37 schimmelsoorten, waaronder een opvallend zwarte, donzige schimmel: Cladosporium sphaerospermum. Die schimmel, rijk aan melanine, groeide gewoon in een van de meest radioactieve gebouwen op aarde. Dat zette onderzoekers aan het denken: kan melanine ioniserende straling gebruiken op een manier die lijkt op fotosynthese bij planten?
Dat idee leidde in 2008 tot een publicatie van Ekaterina Dadachova en Arturo Casadevall (beiden verbonden aan het Albert Einstein College of Medicine in de VS). Zij introduceerden het concept van “radiosynthese”, waarbij melanine ioniserende straling zou opvangen en omzetten in energie. Tegelijk suggereerden ze ook een beschermend schild tegen schadelijke straling. Die theorie zette de deur open voor vervolgonderzoek en experimenten.
Experimenten in de ruimte en op aarde
In 2022 werd Cladosporium sphaerospermum meegenomen naar het Internationaal Ruimtestation (ISS). De schimmel werd buiten het ISS blootgesteld aan kosmische straling. Sensoren onder de petri-schotel registreerden iets opvallends: er drong minder straling door de schimmel dan door een controlemonster met alleen agar. Hoewel het experiment niet bedoeld was om radiosynthese te bewijzen, werd wel onderzocht of de schimmel als stralingsscherm voor ruimtemissies zou kunnen dienen. Dat opent nieuwe mogelijkheden voor het beschermen van astronauten tegen schadelijke straling in de ruimte.
Nils Averesch, ingenieur van de Stanford University, benadrukte dat “Werkelijke radiosynthese nog aangetoond moet worden”. Het idee blijft intrigerend en roept beelden op van een wereld waarin leven zich steeds een weg baant, zelfs in vijandige omgevingen.
Wat betekent dit voor toekomstig onderzoek?
De studie naar Chernobyl-schimmels heeft belangrijke gevolgen. Het laat niet alleen zien hoe veerkrachtig leven kan zijn, maar opent ook de weg naar mogelijke toepassingen voor mensen, denk aan nieuwe materialen voor stralingsbescherming of zelfs energieoplossingen die gebruikmaken van melanine-achtige pigmenten. Het onderzoek blijft dus relevant voor zowel wetenschappers als astrobiologie.
Al met al laat de Chernobyl-schimmel weer zien dat de natuur vaak manieren vindt om te overleven onder extreme omstandigheden. Het nodigt uit tot voortgezet onderzoek en naar toepassingen op onverwachte terreinen, zoals de ruimtevaart. Terwijl onderzoekers doorgaan met hun werk, blijft de vraag hangen: hoe ver reikt de aanpassingskracht van leven en wat kunnen wij daarvan leren?